Hoe kan je een evenwicht realiseren tussen de kortetermijncommunicatie rond tijdelijke tentoonstellingen en de langetermijnopbouw van een sterk en herkenbaar museummerk?
Dat was een van de centrale vragen tijdens de interactieve break-out sessie over marketingstrategieën binnen musea. Professionals uit verschillende musea brachten er hun eigen uitdagingen op tafel. Van de zoektocht naar een jonger publiek, het bereiken van een lokaal publiek tot de vraag hoe je als museum relevant blijft wanneer je programmering voortdurend verandert. Uiteindelijk werd één casus uitgediept: die van het FOMU. Het museum worstelde met een kenmerkend spanningsveld: hoe bouw je aan een sterk en herkenbaar merk, terwijl je tegelijk moet inzetten op kortetermijncommunicatie rond tijdelijke tentoonstellingen en ruimte wilt laten voor creativiteit en inhoudelijke experimenten?
Michaël Mariën, directeur Customer Experience bij publiq vzw, begeleidde de sessie. Vanuit zijn expertise in merkstrategie, doelgroepmarketing en publieksontwikkeling hielp hij de deelnemers met het vertalen van hun ambities naar concrete impact.
De deelnemende musea brachten een brede waaier aan perspectieven samen. Hoe combineer je de communicatie rond tijdelijke tentoonstellingen met de langetermijnopbouw van een museummerk? Hoe blijf je als museum herkenbaar wanneer je programmering voortdurend schakelt tussen niche en breed publiek? Hoe verzoen je een toeristisch publiek met bezoekers die voor een inhoudelijk diepgaande tentoonstelling komen? Hoe bereik je jongeren tussen 18 en 25 jaar als die vandaag nauwelijks naar je museum komen? Ook de relatie met het lokale publiek kwam aan bod: hoe zorg je ervoor dat een museum niet alleen bezoekers van ver aantrekt, maar ook een vanzelfsprekend onderdeel wordt van het culturele leven in de eigen omgeving?
Uit die verschillende vraagstukken werd via een anonieme stemming de casus van het FOMU gekozen als vertrekpunt voor een diepere discussie.
In 2024 implementeerde het FOMU een grondige rebranding. Een van de aanleidingen was het zoeken naar een oplossing voor het spanningsveld tussen artistieke belangen en de herkenbaarheid van het museummerk. In de communicatie dreigde het merk FOMU daardoor soms naar de achtergrond te verdwijnen.
Belangrijk bij de rebranding was niet alleen de nieuwe visuele identiteit, maar ook de manier waarop die tot stand kwam. De verschillende teams werden al vanaf het begin betrokken bij het proces, waardoor de nieuwe koers breed gedragen werd binnen de organisatie. Het resultaat is een museum met een herkenbare, uniforme merkidentiteit waarin het museum niet langer louter als tentoonstellingsruimte, maar als een permanent cultureel instituut wordt gepositioneerd. Toch blijft er een belangrijke uitdaging bestaan. Want hoewel het museummerk sterker is geworden, blijft een groot deel van de communicatie in de praktijk nog steeds draaien rond tijdelijke tentoonstellingen.
Het FOMU programmeert ongeveer twaalf tijdelijke tentoonstellingen per jaar, verspreid over vier zalen en verschillende periodes: voorjaar, zomer en najaar. Per periode wordt één kernproject prioritair uitgelicht in de communicatie. Die aanpak lijkt logisch: een nieuwe tentoonstelling is concreet, actueel en biedt een duidelijke aanleiding om communicatie rond te voeren. Maar tegelijk ontstaat er een afhankelijkheid van de aantrekkingskracht van de kunstenaar of het onderwerp en dat leidt tot schommelingen in de bezoekersaantallen. Het FOMU slaagt er momenteel wel in een aanzienlijk aandeel jongeren te bereiken: een kwart tot bijna een derde van de individuele bezoekers is jonger dan 26 jaar. Bovendien wil het museum steeds meer functioneren als een soort third place: een laagdrempelige ontmoetingsplek waar je ook zonder uitgebreide voorkennis over fotografie of kunstenaars kan en wil binnenstappen.
Initiatieven als nocturnes en het jongerenproject ‘Nightwatch’ spelen daarin een belangrijke rol, maar een structurele strategische evaluatie van de merkconformiteit van deze projecten ontbreekt.
Uit de peer-discussie kwamen verschillende ideeën en aanbevelingen naar voren. Ze tonen vooral hoe het FOMU zijn publiekswerking en merkidentiteit nog sterker met elkaar kan verbinden.
Om langetermijnbinding met de doelgroep te realiseren, is het noodzakelijk structurele en duurzame participatieprojecten te implementeren die op periodieke basis terugkeren. Denk bijvoorbeeld aan initiatieven zoals portfolio-evaluaties door expertpanels, die tegelijk de maatschappelijke verankering van het museum versterken. Ook kan de randprogrammering sterker onder een vaste, herkenbare merktitel worden gegroepeerd, zoals bijvoorbeeld ‘FOMU Nights’ of ‘FOMU After Work’. Door het overkoepelende museummerk consistent als kwaliteitsstempel te positioneren, verschuift de motivatie van de bezoeker van de specifieke (en soms onbekende) kunstenaar naar de gegarandeerde kwaliteit van het instituut zelf.
Een sterk merk begint bij een duidelijke visie op het publiek dat je wilt bereiken. Daarom is er nood aan een volwaardige publieksstrategie die de brug vormt tussen het algemene beleidsplan en de visuele identiteit van het museum.
Zo'n strategie maakt duidelijk wie vandaag het kernpubliek van het FOMU vormt, welke doelgroepen het museum in de toekomst wil bereiken en waar de grootste groeikansen liggen. Tegelijk helpt ze om bewuste keuzes te maken: welke doelgroepen wil je aantrekken, welke experimenten wil je aangaan en hoeveel risico ben je bereid te nemen om nieuwe bezoekers te bereiken? Een publieksstrategie verdient daarbij dezelfde aandacht en grondigheid als bijvoorbeeld een collectieplan.
Naast de communicatie rond tijdelijke tentoonstellingen kan het FOMU nog sterker inzetten op de bekendheid van het museum als instituut. Een brede institutionele campagne kan helpen om het FOMU duidelijker te positioneren als hét expertisecentrum en referentiepunt voor fotografie in Vlaanderen.
Daarbij verschuift het vertrekpunt van de communicatie: niet langer staat alleen de tentoonstelling centraal, maar eerst en vooral het museum zelf. De tentoonstellingen en andere activiteiten worden vervolgens onderdeel van dat grotere verhaal.
Ook online kan die positionering duidelijker worden door een heldere structuur aan te brengen tussen de vaste identiteit en expertise van het museum enerzijds en de tijdelijke projecten anderzijds. Door in communicatie consequent dezelfde kernbegrippen en de naam FOMU te herhalen, wordt het merk herkenbaarder en blijft het beter hangen bij het publiek.
Een campagne rond een tijdelijke tentoonstelling mag niet stoppen op het moment dat iemand een ticket koopt. Vanaf het moment dat een tentoonstelling wordt gepland tot lang nadat ze geopend is, kan ze bijdragen aan de bredere positionering van het museum.
Daarbij spelen randprogramma's en samenwerkingen een belangrijke rol. Door structurele banden aan te gaan met bijvoorbeeld scholen en andere maatschappelijke partners, kan het FOMU nieuwe publieken bereiken en langduriger aan zich binden. Ook jongeren kunnen daarin een actieve rol krijgen. Door hen niet alleen als doelgroep te benaderen, maar hen ook te betrekken bij de werking en keuzes van het museum, kunnen ze uitgroeien tot echte ambassadeurs.
Ook de marketingaanpak kan meer gericht worden op het opbouwen van een relatie. Daarbij komt het principe van funnelmarketing en lead generation in beeld. Een campagne moet niet alleen mensen bereiken (awareness) of hen overtuigen om een bezoek te brengen (consideration), maar hen ook de kans geven om betrokken te blijven. Dat kan bijvoorbeeld door bezoekers via gerichte acties te laten inschrijven op een nieuwsbrief of op een andere manier contactgegevens te verzamelen (structurele lead generation, het proactief verzamelen van klantgegevens via gerichte acties). Zo wordt een eenmalige campagne het begin van een langere relatie, in plaats van een communicatiepiek die stopt zodra de tentoonstelling opent.
De discussie rond de casus van het FOMU maakt duidelijk dat een sterke publieksstrategie begint bij het goed begrijpen van je publiek. Gerichte bevragingen kunnen helpen om beter in te spelen op de verwachtingen en behoeften van bezoekers en om randprogramma's verder te verfijnen. Daarbij is het belangrijk dat marketingteams, publiekswerking-teams, directie en curatoren samen aan dezelfde tafel zitten.
Ook strategische samenwerkingen met externe organisaties en mediapartners bieden nog heel wat kansen om nieuwe publieken te bereiken. Bij kleine marketingteams kan ten slotte ook AI een praktische ondersteuning bieden. Zo komt er meer tijd vrij voor het strategische werk: bouwen aan een sterk museummerk en duurzame relaties met het publiek.