Kunstzussen. In dialoog met Camille & Maëlle Dufour

Tentoonstelling
€10
Gratis met museumpas

Sinds enkele jaren onderzoekt het Félicien Rops Museum de rol van vrouwelijke kunstenaars binnen het Belgische kunstlandschap van de 19de eeuw. De tentoonstelling Vrouwelijke kunstenaars. Schilderessen in België uit 2016 maakte duidelijk dat vrouwen, ondanks hardnekkige en vaak seksistische vooroordelen, opvallend talrijk en ambitieus aanwezig waren in de kunstwereld van Rops’ tijd. Sommigen genoten tijdens hun leven aanzien, maar slechts weinigen kregen een blijvende plaats in de kunstgeschiedenis.


Die reflectie werd in 2024 verdergezet met de tentoonstelling Le Cercle des femmes peintres & Kikie Crêvecœur. Dit kunstenaarscollectief, actief tussen 1888 en 1893, organiseerde vier tentoonstellingen in de zalen van het Museum voor Moderne Kunst in Brussel, dezelfde ruimtes waar ook de avant-gardegroep Les XX exposeerde.


In haar boek Le Château de mes sœurs (Les Pérégrines, 2024) wijst Blanche Leridon erop dat er in het Frans geen specifiek woord bestaat voor een groep die uitsluitend uit zussen bestaat. Die taalkundige leemte weerspiegelt volgens haar een historische realiteit waarin een gezin met alleen dochters vaak als minderwaardig werd beschouwd in samenlevingen waar afstamming vooral via zonen werd gedacht.


Voor zover bekend, onderzocht geen enkele tentoonstelling eerder hoe de band tussen zussen een rol kon spelen in het ontstaan of de verdere ontwikkeling van een kunstenaarsloopbaan. Denis Laoureux, professor kunstgeschiedenis aan de Université libre de Bruxelles, bracht in het kader van zijn onderzoek nochtans maar liefst drieënzestig zusterduo’s in kaart die actief waren in de Belgische kunstwereld. Hun levens en carrières worden samengebracht in het woordenboek dat de tentoonstellingscatalogus begeleidt.


De onderlinge verhoudingen tussen deze zussen namen zeer uiteenlopende vormen aan. Héva en Diana Coomans bouwden bijvoorbeeld een bijna volledig gezamenlijke carrière uit. Zij werden samen opgeleid in het familieatelier en emigreerden later naar de Verenigde Staten, waar zij samen interieurs voor de New Yorkse elite decoreerden.


Andere zussen verdeelden de rollen binnen één artistieke omgeving. Louise en Marie Danse, beiden graveersters, kregen hun opleiding aan de Academie van Bergen, waarvan hun vader directeur was. Tot rond de eeuwwisseling exposeerden zij regelmatig zij aan zij op gravuresalons.


Soms werden de loopbanen van zussen ook beïnvloed door huwelijken en familiale netwerken. Zo huwde een van de zussen Collart met kunsthandelaar Arthur Stevens en de andere met schilder Léonce Chabry. Deze familiale banden speelden mee in de internationale carrière van Marie Collart, die uiteindelijk ook op Parijse salons exposeerde.


Virginie en Louise Bovie, respectievelijk schilderes en schrijfster, richtten dan weer in Elsene een museum-atelier op dat toegankelijk was voor het publiek en geïnspireerd was op het Wiertzmuseum.


Ook Aurélie en Léontine Duluc krijgen een plaats in de tentoonstelling. Deze twee Parijse naaisters deelden het leven van Félicien Rops tot aan zijn overlijden in 1898. Hun verhaal laat zien hoe ook mode en kledingcreatie deel uitmaakten van de artistieke netwerken rond Rops. De zussen waren bovendien veel meer dan de “maîtresses van Rops” waartoe zij lange tijd werden gereduceerd. Ze ontwikkelden een succesvolle onderneming, kleedden beroemde actrices als Helena Modjeska en Sarah Bernhardt en openden in 1889 zelfs een filiaal van hun Parijse modehuis in New York.


Kunstzussen brengt dit nauwelijks bekende artistieke netwerk opnieuw onder de aandacht. Omdat veel van deze kunstenaressen in de vergetelheid zijn geraakt, vormt het opsporen van hun werken en het reconstrueren van hun levens en carrières een belangrijke wetenschappelijke uitdaging.


De tentoonstelling slaat bovendien een brug naar vandaag. De hedendaagse kunstenaars Camille en Maëlle Dufour, beiden geboren in Bergen en opgeleid aan La Cambre, gaan met hun werk in dialoog met hun 19de-eeuwse voorgangsters.


Graveerster Camille Dufour creëert werelden waarin natuur en lichamen de sporen dragen van onze hedendaagse levenswijze. Beeldhouwster Maëlle Dufour maakt monumentale installaties in klei, keramiek, geblazen glas en gerecycleerde materialen en stelt vragen bij vooruitgang en de keerzijde ervan.


Door hun werk samen te brengen met dat van de kunstenaars uit de 19de eeuw ontstaat een bijzondere dialoog tussen verleden en heden. De tentoonstelling nodigt zo uit om na te denken over wat het gisteren én vandaag kan betekenen om als zussen samen kunst te maken.


Curator
Denis Laoureux, professor aan de Université libre de Bruxelles

Sinds enkele jaren onderzoekt het Félicien Rops Museum de rol van vrouwelijke kunstenaars binnen het Belgische kunstlandschap van de 19de eeuw. De tentoonstelling Vrouwelijke kunstenaars. Schilderessen in België uit 2016 maakte duidelijk dat vrouwen, ondanks hardnekkige en vaak seksistische vooroord…

Sinds enkele jaren onderzoekt het Félicien Rops Museum de rol van vrouwelijke kunstenaars binnen het Belgische kunstlandschap van de 19de eeuw. De tentoonstelling Vrouwelijke kunstenaars. Schilderessen in België uit 2016 maakte duidelijk dat vrouwen, ondanks hardnekkige en vaak seksistische vooroordelen, opvallend talrijk en ambitieus aanwezig waren in de kunstwereld van Rops’ tijd. Sommigen genoten tijdens hun leven aanzien, maar slechts weinigen kregen een blijvende plaats in de kunstgeschiedenis.


Die reflectie werd in 2024 verdergezet met de tentoonstelling Le Cercle des femmes peintres & Kikie Crêvecœur. Dit kunstenaarscollectief, actief tussen 1888 en 1893, organiseerde vier tentoonstellingen in de zalen van het Museum voor Moderne Kunst in Brussel, dezelfde ruimtes waar ook de avant-gardegroep Les XX exposeerde.


In haar boek Le Château de mes sœurs (Les Pérégrines, 2024) wijst Blanche Leridon erop dat er in het Frans geen specifiek woord bestaat voor een groep die uitsluitend uit zussen bestaat. Die taalkundige leemte weerspiegelt volgens haar een historische realiteit waarin een gezin met alleen dochters vaak als minderwaardig werd beschouwd in samenlevingen waar afstamming vooral via zonen werd gedacht.


Voor zover bekend, onderzocht geen enkele tentoonstelling eerder hoe de band tussen zussen een rol kon spelen in het ontstaan of de verdere ontwikkeling van een kunstenaarsloopbaan. Denis Laoureux, professor kunstgeschiedenis aan de Université libre de Bruxelles, bracht in het kader van zijn onderzoek nochtans maar liefst drieënzestig zusterduo’s in kaart die actief waren in de Belgische kunstwereld. Hun levens en carrières worden samengebracht in het woordenboek dat de tentoonstellingscatalogus begeleidt.


De onderlinge verhoudingen tussen deze zussen namen zeer uiteenlopende vormen aan. Héva en Diana Coomans bouwden bijvoorbeeld een bijna volledig gezamenlijke carrière uit. Zij werden samen opgeleid in het familieatelier en emigreerden later naar de Verenigde Staten, waar zij samen interieurs voor de New Yorkse elite decoreerden.


Andere zussen verdeelden de rollen binnen één artistieke omgeving. Louise en Marie Danse, beiden graveersters, kregen hun opleiding aan de Academie van Bergen, waarvan hun vader directeur was. Tot rond de eeuwwisseling exposeerden zij regelmatig zij aan zij op gravuresalons.


Soms werden de loopbanen van zussen ook beïnvloed door huwelijken en familiale netwerken. Zo huwde een van de zussen Collart met kunsthandelaar Arthur Stevens en de andere met schilder Léonce Chabry. Deze familiale banden speelden mee in de internationale carrière van Marie Collart, die uiteindelijk ook op Parijse salons exposeerde.


Virginie en Louise Bovie, respectievelijk schilderes en schrijfster, richtten dan weer in Elsene een museum-atelier op dat toegankelijk was voor het publiek en geïnspireerd was op het Wiertzmuseum.


Ook Aurélie en Léontine Duluc krijgen een plaats in de tentoonstelling. Deze twee Parijse naaisters deelden het leven van Félicien Rops tot aan zijn overlijden in 1898. Hun verhaal laat zien hoe ook mode en kledingcreatie deel uitmaakten van de artistieke netwerken rond Rops. De zussen waren bovendien veel meer dan de “maîtresses van Rops” waartoe zij lange tijd werden gereduceerd. Ze ontwikkelden een succesvolle onderneming, kleedden beroemde actrices als Helena Modjeska en Sarah Bernhardt en openden in 1889 zelfs een filiaal van hun Parijse modehuis in New York.


Kunstzussen brengt dit nauwelijks bekende artistieke netwerk opnieuw onder de aandacht. Omdat veel van deze kunstenaressen in de vergetelheid zijn geraakt, vormt het opsporen van hun werken en het reconstrueren van hun levens en carrières een belangrijke wetenschappelijke uitdaging.


De tentoonstelling slaat bovendien een brug naar vandaag. De hedendaagse kunstenaars Camille en Maëlle Dufour, beiden geboren in Bergen en opgeleid aan La Cambre, gaan met hun werk in dialoog met hun 19de-eeuwse voorgangsters.


Graveerster Camille Dufour creëert werelden waarin natuur en lichamen de sporen dragen van onze hedendaagse levenswijze. Beeldhouwster Maëlle Dufour maakt monumentale installaties in klei, keramiek, geblazen glas en gerecycleerde materialen en stelt vragen bij vooruitgang en de keerzijde ervan.


Door hun werk samen te brengen met dat van de kunstenaars uit de 19de eeuw ontstaat een bijzondere dialoog tussen verleden en heden. De tentoonstelling nodigt zo uit om na te denken over wat het gisteren én vandaag kan betekenen om als zussen samen kunst te maken.


Curator
Denis Laoureux, professor aan de Université libre de Bruxelles

Sinds enkele jaren onderzoekt het Félicien Rops Museum de rol van vrouwelijke kunstenaars binnen het Belgische kunstlandschap van de 19de eeuw. De tentoonstelling Vrouwelijke kunstenaars. Schilderessen in België uit 2016 maakte duidelijk dat vrouwen, ondanks hardnekkige en vaak seksistische vooroordelen, opvallend talrijk en ambitieus aanwezig waren in de kunstwereld van Rops’ tijd. Sommigen genoten tijdens hun leven aanzien, maar slechts weinigen kregen een blijvende plaats in de kunstgeschiedenis.


Die reflectie werd in 2024 verdergezet met de tentoonstelling Le Cercle des femmes peintres & Kikie Crêvecœur. Dit kunstenaarscollectief, actief tussen 1888 en 1893, organiseerde vier tentoonstellingen in de zalen van het Museum voor Moderne Kunst in Brussel, dezelfde ruimtes waar ook de avant-gardegroep Les XX exposeerde.


In haar boek Le Château de mes sœurs (Les Pérégrines, 2024) wijst Blanche Leridon erop dat er in het Frans geen specifiek woord bestaat voor een groep die uitsluitend uit…

Openingsuren

zaterdag tot en met zondag

Open op:

  • Dinsdag van 10:00 tot 18:00
  • Woensdag van 10:00 tot 18:00
  • Donderdag van 10:00 tot 18:00
  • Vrijdag van 10:00 tot 18:00
  • Zaterdag van 10:00 tot 18:00
  • Zondag van 10:00 tot 18:00

Locatie

Félicien Rops Museum
Rue Fumal 12
5000 Namen
Félicien Rops Museum
Rue Fumal 12
5000 Namen

Toegang

€10
Gratis met museumpas

Extra voordeel met jouw museumpas

Klaar voor je bezoek aan deze tentoonstelling?

© Vincent Everarts

Klaar voor je bezoek aan deze tentoonstelling?

Koop geen apart ticket, maar doe een slimme zet met de museumpas. Daarmee bezoek je niet alleen dit museum, maar nog 276 andere in België. Een heel jaar lang, voor slechts € 64,95.
© Vincent Everarts